Peter Römer, Chantage

Rating:

Foto Jurriaan Hoefsmit‘Ik ben nog lief geweest voor Hilversum’

Na zijn hele leven in de wereld van toneel en televisie te hebben doorgebracht, kent Peter Römer het klappen van de zweep. In zijn eerste thriller is hij daarom dicht bij huis gebleven. Maar naar eigen zeggen heeft hij de echt smeuïge feiten achterwege gelaten. ‘Ik ben eigenlijk nog lief geweest voor Hilversum’.

Het warme weer weerhoudt Peter Römer er niet van ‘apple crumble’ te maken. Appels snipperen, kaneel er over, suiker. ‘Ja, ik weet het. Het is er het weer niet voor. Maar ja, ik heb het de kinderen beloofd, die vanavond komen eten. En wie ben ik dan nog.’

Met een glimlach van oor tot oor schuift hij de schotel in de koelkast. Daar kan het wel even blijven staan tot het bezoek is vertrokken. ‘Ik ben net terug van ons vakantiehuisje aan het strand bij Zandvoort. Heerlijk rustig is het daar met alleen het geluid van de zee en zo nu en dan een meeuw. Daar ga ik zitten met mijn laptop. De woorden stromen daar uit mijn vingers. Ideaal om te schrijven. Hier in huis is het te onrustig. Pa kan je even dit, Peter kan je even dat. Gewoon, de normale gang van zaken. Dat brengt te veel afleiding. Die heb ik aan het strand niet.’

Zijn eerste thriller, Chantage, is voor een groot deel in dat strandhuisje geschreven. Zijn tweede ‘moordroman’ is er helemaal ontstaan. In Chantage schrijft een ouder wordende actrice haar levensverhaal op. Veel mannen zijn bang voor de verhalen die zij zal gaan opschrijven en proberen het manuscript te onderscheppen. En dan wordt die actrice ’s morgens dood in haar bed gevonden. De politie moet zoeken in de glamourwereld van toneel en televisie om de gebeurtenissen die tot het overlijden van de actrice hebben geleid, te achterhalen.

‘Die actrice, Karina, heeft besloten alle remmen los te gooien en alles op te schrijven. Haar affaires, haar vader, de hele puinhoop om haar heen. Alles staat in het manuscript. Dat betekent er heel veel mogelijke daders zijn die verantwoordelijk kunnen zijn voor haar dood.’

‘Het boek moest al heel lang geschreven worden, want ik ben al tijden gefascineerd door het type vrouw zoals Karina. Het boek lijkt misschien een niemendalletje, maar er is wel lang over nagedacht. Artiesten hebben het moeilijk. Een vrouw kan een glanzende carrière hebben, maar die begint rond haar 35ste toch te haperen. Dan is ze te oud om een meisje te spelen en te jong voor de rol van moeder. Alleen de heel sterke actrices kunnen dan nog doorgaan. De rest verdwijnt uit beeld. Zo’n actrice als Karina bereikt haar eindpunt in haar carrière en beseft dat ze is vergeten te leven. Geen man, geen kinderen en nu ook geen rollen meer.’

‘Ook de side kick in het verhaal, Harry Weerman, heeft al lange in mijn hoofd gezeten. Dat is een kleine krabbelaar die toch heel vrolijk en optimistisch blijft. Elke dag staat hij met een lach op. Dit is de dag dat het gaat gebeuren, dat hij zijn slag kan slaan. Het is allemaal niet helemaal legaal, zwart geld. Hoe hij in een uitzending komt van een misdaadverslaggever is daar een voorbeeld van. Hij is getild en wil zijn geld terug. Hij wil niet herkenbaar op televisie en de regisseur plakt hem een snor op. Tijdens de trailer wordt hij al door zijn zoon gebeld. Coole snor, Pa. Zo gaat het er in het echt ook aan toe. Je wordt met alle egards binnengehaald, maar na afloop krijg je nog geen tramkaartje om naar huis te gaan.’

 

Was het logisch om over acteurs en actrices te schrijven?

‘Ik heb me gehouden aan les één voor een debutant: Blijf in de wereld die je goed kent. Dan kan je des te meer aandacht besteden aan stijl, de toon van het boek. Alles wat ik in het boek beschrijf heb ik zien gebeuren. Natuurlijk mag je de werkelijkheid een beetje kleuren. Ik gebruik het echte leven, ik beschrijf het niet. Wat ik heb gedaan is van een liefdevolle observatie een verhaal maken. Ik verzamel al heel lang verhalen. Wat ik zie of hoor. Dat Gooise matras heb ík zelf nooit gevonden, maar als ik had geschreven wat ik echt weet… Ik ben eigenlijk nog lief geweest voor Hilversum.’

 

Een opmerkelijke rol is weggelegd voor roddeljournalist Addy Lust, die jaagt op het manuscript van Karina.

‘Hoe je het ook wendt of keert, die journalisten horen er gewoon bij. Part of the job. Ik weet nog dat ik met mijn vader in een tv-serie speelde en dat producent John de Mol wilde dat wij met Henk van der Meyden praatten. Dat was in die tijd de enige roddeljournalist. Mijn vader had er een pesthekel aan en in mijn kringen was het gewoon not done om met Henk te praten. Ik heb mijn poot stijf gehouden. Later heb ik er mijn excuses voor aangeboden. Ze horen er bij, ze brengen een soort nieuws dat gretig aftrek vindt.’

 

Chantage is geen thriller met een heel ingewikkeld plot en veel geweld geworden. Een bewuste keuze?

‘Ik ga heel sterk uit van karakters. Bij mij geen psychopaten die er op los moorden. Daar hou ik niet van. Ik hou van het alledaagse. Ik volg de menselijke emotie, de drijfveren van de karakters. Ik ben niet van ingewikkelde rekensommen. Ik zet het plot niet op kaartjes. Dat doe ik wel voor een tv-scenario. Dan moet je in 43,5 minuut een rond verhaal vertellen. Dan kan je geen zijpaden inslaan. Dat volgen de kijkers niet. Die gaan koffiezetten. Een boek is een een-op-een verhaal. Dan kan je de lezer wel meenemen op allerlei omwegen. Toch moest het wel een thriller worden. Dat geeft je richting. Er is een moord en het boek gaat over de oplossing van de puzzel. Dat is een fijne leidraad. Ik kan wel een roman schrijven over de toneelwereld. Dat wordt dan een sleutelroman. En dat zou over mij gaan. Dat wil ik niet.’

 

Het tweede boek is af. Bent u vanaf nu alleen nog maar schrijver?

‘Ik ben ooit als kind begonnen als schrijver. Ik was acht jaar. Vervolgens ben ik per ongeluk acteur geworden en later regisseur omdat ik vond dat ik het beter kon. En daarna ook producent. Ik blijf wel dingen doen als regisseur en als creative consultant, want het schoorsteentje moet blijven roken. Ik Nederland wordt je niet rijk van boeken schrijven. Maar ik blijf ook als schrijver wel een professional.  Het moet goed zijn en het moet bestaansrecht hebben. Het is bedoeld als amusement, om de lezer een paar aangename uurtjes te bezorgen. Het is vooral humoristisch zonder heel veel bloed en geweld. Als je onder het bed wil kruipen van angst, dan moet je niet bij mij zijn. Maar het moet wel verkopen. Mensen moeten het willen lezen. Waarom zou ik in een zaal op het podium gaan staan zingen, als er twee mensen in de zaal op je liedjes zitten te wachten?’

Andere artikelen op deze site over: Peter Römer