David Peace, Tokyo Zero

Rating:

Misdaad als venster op de geschiedenis

Nog meer zo’n zestig jaar geleden was Tokio een stad in puin. Letterlijk kapot gegooid met bommen maar ook figuurlijk: het keizerrijk was verslagen en het leger had zich na de twee afgeworpen atoombommen onvoorwaardelijk over gegeven. De trotse bevolking moest zich in die naoorlogse jaren maar zien te redden terwijl de Amerikaanse bezetters met hun Jeeps rondreden. Met het eerste deel van een drieluik heeft de Engelse schrijver David Peace heeft zich op die traumatische periode in de Japanse geschiedenis gestort.

“Ik wilde beschrijven wat de overgave, de nederlaag en de bezetting voor de gewone Japanner betekende. Hoe hij zich redde in de dagelijkse race om voldoende eten te vinden,” vertelt Peace (40 jaar). Hij is even een dagje in Amsterdam om zijn boek onder de aandacht te brengen. Een dag later wordt hij al in Parijs verwacht en de dagen daarna volgen nog bezoeken aan Milaan en Rome voordat hij terug kan naar Tokio, waar hij al veertien jaar woont.
Zijn boek over de beklemmende naoorlogse tijd en de Amerikaanse bezetting is al zijn zevende boek, maar het is de eerste waarmee hij internationaal is doorgebroken. Zijn eerste boeken speelden zich af in Noord-Engeland. “Ik woonde al in Tokio maar ik kon in mijn kleine studeerkamertje de tijd van mijn jeugd recreëren. Door de muziek van die tijd te draaien, boeken te lezen en oude films te bekijken. Maar ik raakte wel steeds meer geïnteresseerd in de geschiedenis van Tokio. Die stad is in 1923 verwoest door een aardbeving, weer opgebouwd. De stad lag in 1945 opnieuw in puin. Dit keer door de bombardementen aan het eind van de oorlog. Daar wilde ik over schrijven.”

Dat David Peace in Tokio terecht is gekomen is vooral toeval. Hij studeerde Engelse literatuur aan de Manchester Polytechniek. ‘Dat was een universiteit van het tweede garnituur. Zeg maar de school voor de werkende klasse’. Met een hoge studieschuld kwam Peace met zijn diploma op zak van de universiteit. Maar een baan zat er niet meteen in. ‘Het was begin jaren negentig en de meeste van mijn studiegenoten zochten vergeefs naar werk. Ik schreef toen ook al boeken, maar die werden allemaal door uitgevers afgewezen. Ik besloot toen maar naar het buitenland te gaan. Sollicitaties voor leraar Engels in Barcelona en Milaan mislukten, maar ik werd in Istanbul aangenomen’. Met een zucht van verlichting vertrok Peace. ‘Het was de tijd van de Conservatieven van Thatcher en Major. Ik haatte Engeland en had er niets meer te zoeken’.

Maar Turkije was ook niet alles. Hij had gehoopt snel zijn studieschuld af te kunnen betalen, maar daarvoor waren de salarissen in Istanbul te laag. ‘Toen vertelde een kamergenoot van mij, dat ik naar Japan moest gaan. Daar kon je goed verdienen. Ik solliciteerde en werd aangenomen als leraar Engels. Ik ging voor het geld naar Tokio, maar vond de stad meteen leuk. Na een jaar was de schuld afgelost, maar ik besloot toch voor een jaar bij te tekenen. Mijn eerste boek was door een Engelse uitgever aangenomen en ik bleek in Tokio goed te kunnen schrijven. Toen ik in dat tweede jaar mijn vrouw ontmoette, zij is Japanse, ben ik gewoon in de stad gebleven’.

In Japan bleef hij vervolgens boeken schrijven over zijn geboortegrond. Vaak nam hij daarbij echt gebeurde misdaden als uitgangspunt. ‘Echte gepleegde misdaden zijn voor mij het venster op de geschiedenis. Waarom kon de Yorkshire ripper, de beroemde seriemoordenaar van Noord-Engeland zijn gang gaan. Waarom gebeurde het juist daar en in die tijd. Dat zijn vragen die mij bezig houden’, vertelt de schrijver.

Het duurde jaren van ervaring en opbouwen van zelfvertrouwen voordat hij zich waagde aan een boek over ‘zijn’ Tokio. ‘Ik had alleen nog maar geschreven over het land waar ik opgroeide. Ik had er in het begin weinig vertrouwen in dat ik over Japan zou kunnen schrijven. Wat me ook tegen hield was de mythe dat buitenlanders Japan niet kunnen begrijpen. Dat vreemdelingen niet over Japan kunnen schrijven. Dat schrikte me toch wel af’.

Uiteindelijk raapte hij al zijn moed bij elkaar en begon aan een drieluik over de Amerikaanse bezetting van Japan. Daarvoor gebruikte hij net als zijn boeken over Engeland echte misdaden als kapstok voor zijn verhaal. ‘Het gaat over een seriemoordenaar die in 1945 en 1946 tien vrouwen verkrachtte en vermoordde. Hij was een voormalige soldaat van het keizerlijke leger, die in China tijdens de oorlog verkrachtte en moordde. Na 1945 en zijn terugkeer naar Japan ging hij daarmee gewoon door. In het echt is hij voor die moorden in 1946 opgehangen’.

‘Ik was vooral geïnteresseerd in de slachtoffers en de samenleving waarin zoiets kon gebeuren. De moordenaar kreeg de vrouwen zo ver dat ze meegingen, omdat hij ze eten en werk kon beloven. Hij werkte ten slotte voor de Amerikanen in Tokio. Maar ook de inspecteur heeft in de oorlog gediend. Iedereen moest met zijn oorlogsverleden in het reine komen. En moest accepteren dat Japan had verloren en dat de Amerikanen de overwinnaars waren. Dat probeer ik in het boek duidelijk te maken. Ik wilde laten zien wat die tijd voor de gewone Japanner betekende’.

David Peace heeft het tweede deel van de serie bijna af. Het schrijven daarvan is hem tegen gevallen. ‘Ik ben meteen toen Zero klaar was, aan deel twee begonnen. Maar toen ik al bijna klaar was, leek het te veel op deel een. Een soort Tokio Zero deel twee. Dat wilde ik niet. Voor elk boek wil ik een andere invalshoek. Ik ben toen maar opnieuw begonnen’.

Peace gaat niet gebukt onder die tegenslag. Hij ziet het gewoon als een oefening. En oefenen doet hij vaak. ‘Ik ben altijd aan het schrijven. Als het niet voor een boek is, dan is het wel om mijn schrijfstijl te verbeteren. Ik probeer te begrijpen waarom een passage in een boek boeit. Ik ga dat helemaal analyseren en probeer het dan uit’.

Die gedrevenheid kenmerkt de Engelse auteur. Hij heeft het niet over schrijven, maar over ‘de kunst van het schrijven’ en over proefstukjes, alsof hij een atleet is die zijn afzet voor het verspringen moet verbeteren. Maar David Peace weet dan ook al heel lang wat hij wil: ‘Op mijn achtste wist ik het al. Ik wilde schrijver worden’.